Het eiwit van jeuk,
zo hebben ze ontdekt,
Natri-ure-tisch poly-peptide B—
volgt zijn eigen, afzonderlijke route
door mijn ruggengraat.
Net als pijn, als genot en als warmte
dat ook doen.
Een lichaam, zo lijkt het, is een soort snelweg,
een klaverbladachtig knooppunt, je kent het wel:
solide gebouwd, druk bereden.
Een deel van mij reist naar het noorden,
en een deel naar het zuiden.
Negentig procent van mijn cellen,
zo hebben ze ontdekt,
zijn niet “mij” maar "andere wezens in mij".
Net zoals zes-en-negentig procent
van mijn leven, niet mijn leven is.
Toch zeggen ze dat ik hen ben.
Mijn bacteriën en mijn gisten.
Mijn vader en mijn moeder.
Mijn grootouders en mijn geliefden.
En ook mijn chauffeurs die
achteloos achter het stuur zitten te bellen,
mijn metro’s en mijn bruggen,
Mijn dieven, en zelfs mijn politie,
die dag en nacht achter me aan zit.
Mijn eiwitten, en kennelijk ook ik,
vouwen overhemden. Echt waar.
In al deze drukte vind ik een stille hoek,
waar ik van mijn “niet-mij Lego-blokken”
een bank maak, duiven maak,
en een sandwich van roggebrood
met kaas en Doesburgse mosterd.
Het is het mij en het niet-mij,
de honger, de trek,
de honger en de trek,
die de sandwich echt lekker laten smaken.
Het is het niet-mij
en ergens ook weer wel.
De sandwich.
Het mysterie.
Dat we geen van beide
kunnen vouwen,
kunnen ontvouwen,
kunnen consumeren.
Hertaling door Wordbites van stuk van Jane Hirshfield. Lees haar verzameld werk: The asking.
