Koelkastlampjes   




Ik heb een enorme liefde voor koelkastlampjes.
Ik heb een enorme liefde voor koelkastlampjes.
Alleen de gele.
Niet, die moderne, schelle, witte.
Nee, alleen de gele.
Koelkastlampjes. Ik hou van ze!
Ze hebben de gave om in een toch tamelijk koele omgeving,
zoveel warmte uit te stralen. Wow!
En weet je wat ze ook kunnen?
Knipogen. Te gek toch?
En tijdje geleden twijfelde ik,
ja, ik twijfelde of nou aan of uit was,
toen heb ik mijn telefoon in de koelkast gedaan,
nou die was na een tijdje in ieder geval uit.

Waar mijn liefde voor koelkastlampjes is ontstaan?
Alleen de gele.
Waar die is ontstaan?
In de koelkast van mijn vader.
Ik was de koelkast van mijn net overleden vader aan het opruimen.
De koelkast van een ander opruimen
is op een of andere manier best een intiem dingetje
en zeker de koelkast van je overleden vader.
‘Vers van het mes’,
spreekt het vetvrije kaaspapier.
Vers van het mes, op het kaaspapier,
in de koelkast, van mijn overleden vader.
Een gek stukje kaas.
Hij, oud geworden. 94.
De kaas? Jong belegen.
Ieder, heeft een eigen vroeger.

Naast ‘vers van het mes’,
een half leeg gelepeld bakje Tiramisu.
AH Super Fresco, 300 gram a 2 euro 99.
Minstens houdbaar tot 22/4.
“Maar daarna ook nog prima eetbaar hoor,
want die hele hysterie rond de houdbaarheid der dingen.”

In het aanpalende rekje,
een voor driekwart leeggedronken flesje Somersby.
Een quasi hipster-drankje.
Appel cider, 4 komma 5 procent alcohol. Somersby.
Door mijn vader altijd liefkozend Summersby genoemd.
Daar waren die marketeers niet opgekomen.
Als dop? Een prop.
Een prop, met een ferm post-elastiek!
“Want dan blijft het koolzuur er keurig in”.
Tot slot nog een doosje makkelijk smeerbare
gezouten roomboter van de firma Lurpak.
“Vet lekker”, schreeuwt de verpakking.

De koelkast zoemt. En zwijgt tegelijk.
Het koelkast-lampje lijkt zich nergens wat van aan te trekken.
Of in ieder geval niet van het plotselinge vertrek van de baas.
“Blijven geloven in je warme gloed,
ook op koele momenten. Shinen man. Shinen”,
zo straalt het, uiteraard gele, lampje.

De rekjes staren naar de bakjes.
En de bakjes naar de rekjes.
Lege blikken. Gebroken wit. Stil geworden.
Niet langer de geborgenheid van frambozen.
Over, maar niet voorbij.
Over, maar niet voorbij.

Ik vroeg het een tijdje geleden nog aan mijn vader:
“Wat is de bron der dingen?”
“Wat is de bron der dingen?”
Eerlijk gezegd, had ik een antwoord verwacht,
waarin minimaal de woorden Socrates en reductionisme
voorbij zouden komen,
maar hij zei: de maaltijd jongen, de maaltijd.

Waarschijnlijk had hij zin in zijn vaste, woensdagse
AH Italiaanse maaltijd Spaghetti Bolognese a 450 gram,
“Waar je overigens precies drie dagen mee kan doen.
Want daarna nog prima eetbaar hoor,
want die hele hysterie rond de houdbaarheid der dingen,
of had ik dat al gezegd?
En er zit een mooie snuf oregano in.”

De aanblik.
Die stil-zoemende, vrijwel onbewoonde, koelkast van mijn vader.
En natuurlijk mijn vriend, mijn steun, mijn toeverlaat: het lampje.
“Je hoeft niet bang te zijn voor de dood, jongen.
En zeker niet voor het leven!
Autonoom zijn. Trouw aan jezelf. Daar komt het op aan!
En de dood?
De dood is ‘ultieme autonomie’.
Ieder mens maakt in eenzaamheid die laatste, laatste overgang.
Dat kan je niet leren.
Dat doe je voor het eerst.
Daar kan niemand je echt bij helpen.
Ook Icarus viel in eenzaamheid.

Het enige wat je hoopt, is dat je dierbaren je troosten,
dat ze je begeleiden, dat ze je vasthouden.
Dat is het laatste wat je voor elkaar kunt doen.
Even nog. Even nog.
Niet bang zijn voor de dood.
En zeker niet bang zijn voor het leven.
Koelkastlampjes.
Alleen de gele.


Desirée Coumans maakte de soundscape die je in de player hierboven kan beluisteren. Tekst: Wordbites. Foto: Dan Colpo.