Mijn leven  


 
Ik zou willen, dat mijn leven, mij bewoont,
zoals de regen en de zon, en hun verlangen,
een vijg, of een appel, bewonen.

Ik zou alles willen ontmoeten, verspreid, in stukjes,
zoals een gesprek, neergelegd op een lange, smalle
Mahonie tafel, zoals teleurstelling weggestopt in een
jaszak, zoals een lang vervlogen verlangen, flakkerend
oplicht, zo half herkenbaar in de hoek van een schilderij
in een kringloopwinkel.

Ik zou mijn geluk willen ontdekken,
lopend, eerst naar, en dan weg van me, zo langs het
trappenhuis, op twee sterke benen, op zichzelf staand.
En ook, al die ontelbare koren-aren,
gebroken, geslagen, vermalen tussen stenen,
voordat ze hun huwelijk aangaan: de oven, het brood.
Laat me ook daarin, mijn leven vinden.

Ook in al mijn momenten van onhandigheid, van
eenzaamheid; mijn dagen van aarzeling, van duizeling,
Zelfs in Oud en nieuw, dat me telkenmale vond,
ja telkenmale vond, staand op mijn fornuis,
om een keuken-spotje te vervangen.

Of wat dacht je van al mijn nachtelijke vragen;
vaak gesteld, soms beantwoord.
Ja, ik zou aan mijn leven, terwijl we leven, een snuf
zout willen toevoegen, een klont boter, een schijf appel,
een theelepel jam, aan een lang gerijpte vijg.
En dat dan allemaal proeven, alsof we voor het eerst
proeven, wat we allemaal geworden zijn.


Hertaling door Wordbites van stuk van Jane Hirshfield.