Ja, ik was bezig om mijn maat,
mijn proporties, mijn dimensies te vinden.
Of misschien zelfs te hervinden.
Vaak is de maat van de mens te groot.
En een enkele keer is -ie te klein.
Soms wil je zelfs je volledige zicht blokkeren.
Dan sta je maar wat te turen, te schutteren,
zo half met je hand het zonlicht afwerend.
Soms sta ik naast bomen. Erop hopend dat ik
ze allemaal in een keer zou kunnen omarmen.
Soms sta ik naast een paard.
Het is moeilijk om je juiste maat te vinden,
zeker naast andere mensen
En al helemaal naast een mier.
Een mier aan wie je je alleen maar kunt
verontschuldigen, verontschuldigen voor je
onhandigheid, voor je klunzigheid, je
klungeligheid.
Ik heb trouwens nog nooit een mier horen
schreeuwen. Jij? Terwijl alles waarvan een mier
wil dat het gebeurt, gewoonweg gebeurt.
Maar neem bijvoorbeeld het moment waarop ik
een zilveren lepel rustig laat balanceren tussen
mijn duim en mijn wijsvinger, uiteraard keurig
rechtop zittend op mijn crapaud, ja dan verlies
ik elk maatgevoel. En ook elk tijdsgevoel.
Op zo’n moment draait het om de pols.
Niet om het horloge.
De maat en de tijd wentelen zich in een soort
gegrinnik.
Net als het zelf en de lucht, dat ook kunnen.
Het is een beetje alsof je een stuk deeg afsnijdt
van de wereld en dat vervolgens tot vogels bakt,
tot vogels bakt die maar heel, heel zelden vliegen.
Hertaling door Wordbites van stuk van Jane Hirshfield. Lees haar verzameld werk: The asking. Schitterend!
