De zweefmolen is verdacht.

Ik speel nogal eens op festivals. Best wel vaak zelfs. Heel tof! En als ik het zo allemaal eens op me in laat werken en vanuit het spreekwoordelijke reuzenrad of de duintop over het festival-landschap naar beneden kijk, dan zie ik dat er iets merkwaardigs aan de hand is met een groot aantal Nederlandse festivals. Wat ooit begon als een plek om lekker muziek te luisteren, een mooi stukkie theater te zien, wat rond te hangen, een gezellig biertje te delen en toevallig iets bijzonders tegen te komen, moet tegenwoordig steeds vaker worden aangetoond waarom het allemaal van eminent maatschappelijk van belang is.

Een festival heeft minimaal een artistieke lijn, uiteraard inhoudelijke kaders, daarnaast is er thematische urgentie en levert liefst ook nog een wezenlijke bijdrage aan de democratie. De zweefmolen is verdacht geworden.

Daar zitten naar mijn gevoel een paar concrete oorzaken onder. Eén: geld. Subsidies en fondsen vragen steeds vaker om artistieke visie, maatschappelijke impact, duurzaamheid en publieksontwikkeling. Zeg maar comme il faut. Een aanvraag voor “we willen gewoon een fantastisch festival neerzetten” maakt weinig kans; een aanvraag waarin het festival een urgente bijdrage levert aan de samenleving doet het op zijn minst op papier een stuk beter. Twee: de opkomst van de curator. Programmeurs zijn niet meer alleen op zoek naar goede bands, makers of voorstellingen maar bouwen verhaallijnen waarin alles bij elkaar moet komen. Het programma wordt een tentoonstelling van de boodschap. 

Alles moet ergens over gaan. Allemaal ego-strelend voor de inner circle van cultuurpauzen en pauzinnen (want die zijn er veel). Drie: de verantwoordingscultuur. Besturen, fondsen, gemeenten en beleidsmakers willen kunnen uitleggen waarom een festival, publiek geld verdient. “Mensen vonden het kei goed” is blijkbaar een ingewikkelder verhaal dan “Wij agenderen maatschappelijke verandering”. En iedereen papegaait het van elkaar na. Vier: culturele status. In delen van de cultuurwereld heeft, wat al snel amusement wordt genoemd, een zeer lage status. Een voorstelling mag best grappig zijn, maar het liefst is -ie óók relevant, kritisch en maatschappelijk zeer urgent. Plezier is volgens een steeds groter leger aan beleidsprofessionals intellectueel verdacht.

 

Gevolgen zijn er ook. Eén: publieksvervreemding. Mensen komen voor een belevenis en krijgen soms het gevoel dat ze bij een maatschappelijke bijeenkomst zijn beland. Twee: verlies van lichtheid. Alles moet betekenis hebben. Plezier mag alleen nog als het ergens goed voor is. Drie: minder toeval en avontuur. Hoe steviger de curatoriële hand, hoe minder ruimte voor het onverwachte, het rommelige, het volstrekt onnodige en het vrije. Vier: eenheidsworst. Als ieder festival zich moet verhouden tot dezelfde maatschappelijke thema’s en dezelfde culturele taal, gaan festivals steeds meer op elkaar lijken. De pure eigenheid van de plek gaat verloren. Terwijl een festival bij uitstek een plek zou moeten zijn om nou net even niet te weten wie of wat je tegenkomt, inclusief jezelf ; )

De oplossing is wat mij betreft niet dat we allemaal terug gaan naar het dorpsfeest van de jaren ’50 of nog meer hedonistisch mainstream vermaak. En natuurlijk weet ik dat er ongelofelijk veel aan de hand is in de wereld. Sterker nog: op heel veel plekken staat -ie op een vreselijke manier in de hens. En dat ik een geprivilegieerde man ben weet ik ook, dus ook daar hoef je niet voor te bellen. Maar desondanks zeg ik: durf ook weer nutteloos te zijn. Programmeer naast het geëngageerde ook het volstrekt onnutte, het absurde. Laat iets bestaan omdat het mooi, hilarisch, ontregelend of gewoon ontzettend leuk is. Geef het publiek niet voortdurend een boodschap mee maar geef het de ruimte om zelf iets te creëren, te ervaren en zonodig zelf conclusies te trekken. Haal het toeval weer binnen! Een festival hoeft van mij niet voortdurend de wereld te verbeteren. Dat moeten we zelf doen! Verwarring is ook een spiegel. En ontregeling laat je pas echt nadenken.  

Dus laten we bandjes binnenhalen die nergens over gaan. Laten we voorstellingen neerzetten die ogenschijnlijk niks oplossen en juist daardoor treffende vragen stellen. Laten we sowieso meer vragen stellen. Laten we de ogenschijnlijke professionalisering, whatever that is, stoppen. Laat de mens spreken. Laten we alles aan de verbeelding overlaten. Laten we onbevangen zijn. Laten we blokkenschema’s verbranden. Laten we weer verdwalen, ontmoeten en verliefd worden op het onbekende. Wat misschien is juist dat wat een festival moet zijn: een plek waar je even niet hoeft uit te leggen wat je vindt, wie je bent of waarom je er bent. Laten we weer tureluurs worden in de zweefmolen. Liefst zonder kettinkje ; ) Zijn wie we zijn als we niks hoeven zijn en daardoor worden wat we nog niet waren.

Pleidooi van Wordbites voor meer zweefmolens op festivals. 


 

Volgende
Volgende

Koelkastlampjes.